gemaakt op : 24 apr. 2014

Toiletbezoek met assistent-scheidsrechter

Na een por in mijn rug in het voorbijlopen, wenkt de assistent-scheidsrechter mij twee tellen later richting het herentoilet. Ik snap de hint en voel een siddering door mijn lichaam gaan. Ik zet mijn nog halfvolle bierglas snel op de bar in een bestuurskamer, kijk voorzichtig om me heen en rommel wat in mijn broek. Op zoek naar mijn opnamerecorder, want ik weet precies wat de vlaggenist wil: alsnog zijn verhaal doen.

Tijdens een duel in de Topklasse, werd de assistent twee keer geconsulteerd door de scheidsrechter. Twee keer adviseert hij een rode kaart te geven aan een speler, twee keer negeert de arbiter dat advies. De stoom komt bijna letterlijk uit de oren van de man langs de lijn, waarna hij na de tweede afwijzing zijn armen theatraal omhoog laat gaan, als teken dat hij er niks meer van snapt. Zijn hoofdschudden voor de hoofdtribune moet de toeschouwers ook nog maar even duidelijk maken dat het niet aan hem ligt. Het zijn bonusmomenten. Zeker voor een journalist, dat ik toen nog was.

 “De scheidsrechter doet, helaas, de woordvoering”, antwoord de vlaggenist na de wedstrijd op mijn vraag naar de twee voorvallen. “Ja, ik ben bij mijn assistent geweest. Maar die zei niks bijzonders”, was het betoog van de arbiter in de bestuurskamer. “Uw collega had een elleboogstoot gezien, zoals vrijwel alle toeschouwers, geloof ik.” De scheidsrechter denkt even na en zegt: “Dat heeft hij mij niet verteld.” Terwijl hij een hap wil nemen van z’n goed gevulde bord – nasi, bapi pangang en wat kroepoek – vraag ik beleefd of ik nog wat mag vragen. Nadat een servet wat rode saus van z’n mond heeft geveegd en na een slok van zijn Spa Rood , draait hij zich om en knikt. Het gaat om de tweede keer dat hij naar zijn collega ging. “Mijn assistent stelt dat het een harde tackle van achter is, op de achillespees, en in zijn ogen dus een rode kaart waard. Ik had het niet geconstateerd, dus waarom zou ik dat advies dan overnemen? Nee hoor, niks aan de hand, gewoon een prima wedstrijdje.”

Terwijl ik mezelf omhoog hijs – ik zat gehurkt naast de arbiter – zie ik dat de assistent me aankijkt. Ik haal mijn schouders op en knik een beetje van jammer naar de assistent, die met een biertje in zijn hand staat. Hij haalt ook zijn schouders op en schudt wat moedeloos met z’n hoofd terug. Ik negeer hem voor de rest en ga bij wat andere journalisten staan, die een duidelijke voorsprong hebben genomen in de bierconsumptie.

Terwijl ik denk een inhaalslag te maken, port de man met de vlag me dus in mijn rug, waarna ik enkele tellen later op het toilet sta met een lid van het arbitrale trio. “Heeft hij dat gezegd?, stoomt hij, nadat hij hoort wat de scheidsrechter mij heeft verteld. “Hoe kan hij zo liegen.” “Je staat  toch niet voor Jan met de korte achternaam met zo’n vlag in je handen?”, vraag ik hem. “Dat bedoel ik. En ik ben ook nog eens de eerste assistent-scheidsrechter hè.” Daar heeft hij zeker een punt, dacht ik. “Ik adviseer twee keer – terecht – rood te geven en hij negeert me. Dat is toch vreemd?” Ik knik. “Ik sta er toch niet om alleen te vlaggen voor een inworp. Ik vind dit niet kunnen.” Ik knik weer. “Ik voel me dan niet serieus genomen. Als ik mijn vlag omhoog doe, heb ik iets waargenomen.” Precies, zeg ik. “Het is dan de taak van de scheidsrechter om daar iets mee te doen. Nou ja, voor deze collega gold dat blijkbaar niet. Verschrikkelijke man.” Tja, roep ik, om te vervolgen met: “Goed verhaal, ik verwoord het zo in de krant. Maar excuseer me nu echt even, ik moet enorm nodig plassen.”

Wat ik met dit verhaal wil zeggen? Als journalist geniet je van dergelijke momenten, zoals die er veel zijn geweest. Als PR-man hoop je echter dat de mensen binnen de club zich nooit zo laten gaan. Het is zomaar een verschil tussen journalistiek en PR.

Johan Petersen
PR SV Spakenburg