gemaakt op : 19 mrt. 2014

Tranen

Ik ben verliefd. Op Spakenburg. Zowel voor het dorp als de Blauwe voetbalvereniging koester ik bijzonder warme gevoelens. Het kan verkeren.

Het is 1978 als ik als achtjarig knaapje behoor tot de B-side. Samen met wat andere voetbalvriendjes was ik onderdeel van de ‘harde kern’ van BVV Baarn. ‘Bloed aan de palen, dooie in het net, Baarn heeft alweer een goal gezet’, was ons belangrijkste lied bij thuiswedstrijden. We zongen dat op de achterste rij van de houten tribune. Bij uitwedstrijden maakten we het helemaal bont, door achter de goal van de tegenpartij te gaan staan en gezamenlijk met hoge stemmetje brutaal te schreeuwen: ‘Keeper wordt niet zenuwachtig, hi-ha-ho.’ Tja, we hebben Baarn met deze intimiderende woorden ongetwijfeld aan veel extra punten geholpen.

Toen wist ik het zeker; Baarn verlaat ik nooit en een mooiere voetbalclub kon er nooit bestaan, de hoofdmacht halen mijn grote doel. Dat laatste lukte me als A-junior. Voor de rest heb ik mezelf verloochend. Als ik nu door Baarn rijd, is het om naar huis te gaan. Naar Spakenburg. Onlangs was ik even terug op sportpark Ter Eem en stond daar zonder enig gevoel; geen melancholie, maar geconfronteerd met de realiteit: de club heeft zijn ziel verloren. Ik voelde me op geboortegrond een vreemde sjieterd.

De echte Spakenburger zal zeggen dat ik nu ontheemd ben, omdat ik voor hen een vreemde sjieterd blijf, van buuten Nolletje. Maar eigenlijk voel ik me niet zo. Of beter gezegd, zo wil ik me niet voelen. Ik woon nu zo’n zes jaar in het dorp, waar ik daarvoor al een kleine twintig jaar bijna wekelijks kwam om naar voetbal te kijken, om aansluitend een biertje te drinken in de Bolderbar, de huidige Kraplap. Tegen iedereen buiten Spakenburg zeg ik sindsdien steevast dat er geen mooier plaatsje in Nederland bestaat. En tegelijkertijd dat de mooiste voetbalclub van Nederland  aan de Blauwe zijde van de Westmaat speelt. Dat terwijl ik in de jeugd bij Baarn  nooit wilde verliezen en al helemaal niet van IJsselmeervogels of Spakenburg. Die visboeren, altijd een kop groter, pratend in dat niet te verstane dialect en veel harder dan wij, die moest je verslaan. Gewoon om ze een lesje te leren, met hun grote mond, ook al wist je dus niet exact wat ze zeiden. Het was wellicht jaloezie.

En nu? Vorig jaar na de ontsnapping tegen ACV stond ik met tranen in mijn ogen in de kleedkamer, kijkend naar de tranen bij Maarten Woudenberg en Harry Zwarthoed. Bij het kampioenschap in het seizoen ervoor ook natte ogen, van vreugde. En afgelopen zaterdag nog, bij de ontvangst van de spelers in de kantine na de gewonnen wedstrijd in Lisse; een brok in mijn keel. Ik verbaas  me zelf daarmee, omdat ik niet iemand ben die emotie snel uit. Maar zoals ik vroeger op het voetbalveld een gedaanteverwisseling onderging, zo gebeurt dat ook als Spakenburg speelt. En Feyenoord, ik geef he hier maar toe. Dan borrelt het in me, dan roep ik van alles, schreeuw, lach, spring ik, word soms boos, verdrietig, moet ik een rondje gaan lopen omdat ik niet stil kan blijven zitten en soms dus die tranen. En ik schaam me daar geen moment voor. SV Spakenburg is namelijk nooit een keuze geweest, het is de club die mij heeft gegrepen. De mooiste van Nederland.

Johan Petersen

PR SV Spakenburg